Piet Zwart, een veelzijdig avant-gardistisch vormgever.

Piet Zwart, de bekende ontwerper van Bruynzeel, werd geboren in 1885 te Zaandijk.
Zijn vader was bedrijfsleider bij een olieslagerij, een van oudsher bekende bedrijfstak in de Zaanstreek.
De interesse van de Zaanse ondernemer voor techniek en het streven naar doelmatigheid waren ook bij Piet Zwart sterk aanwezig.
Je zou het zijn levensvisie kunnen noemen. Naast zijn grote belangstelling voor de natuur,
stond niet zozeer het artistieke aspect op de voorgrond, maar de vraag: hoe zit het in elkaar en hoe werkt het.

Toch is Piet Zwart als leerling aan de Rijksschool voor Kunstnijverheid in Amsterdam begonnen,
werd leraar tekenen en kunstgeschiedenis aan de Industrie en Huishoudschool voor meisjes in Leeuwarden.
Via het leraarschap ontwerpen aan de MTS was hij uiteindelijk meubelontwerper geworden.
Zijn eerste opdrachten ontstonden door vragen vanuit de school waar hij les gaf zoals:
"...een stoel te verzinnen waarmee die verdomde meiden niet meer kunnen wippen". (Piet Zwart interview 1970).

Hij raakte ook onder invloed van de idealistische en socialistische ideeën van voor de Eerste Wereldoorlog.
Het lezen van Marx en de betekenis van het socialisme maakte hem er bewust van hierin als kunstenaar een rol te kunnen spelen.

In 1913 verhuisde Piet Zwart naar Voorburg, om in Delft door studie de in Leeuwarden opgedane interesse voor architectuur verder te ontwikkelen.
De Eerste Wereldoorlog, mobilisatie en geldgebrek maakten dat hij zich op de kunstnijverheid toelegde.
Versierkunst volgens de Jugendstil in meubels, stoffen en behang.
In feite de decoratieve styling - ook goed in Berlages werk te zien - naast de rationele en constructieve aspecten die bij de architectuur van die tijd golden.
Ontwerpen voor kinderkleding, theemutsen, kleden en spreien werden door zijn vrouw uitgevoerd.
Het einde van de Eerste Wereldoorlog luidde een tijdperk in van sociale omwentelingen en nieuwe artistieke opvattingen,
niet versierend en ambachtelijk, maar veel meer functioneel.

In Voorburg leerde Piet Zwart de uit Hongarije afkomstige schilder Vilmos Huszar en de architectjan Wils kennen.
De laatste had zich pas als zelfstandig architect gevestigd, na daarvoor vier jaar bij Berlage te hebben gewerkt.
Zij onderhielden intensief contact; voerden discussies rond Berlage, De Stijl en de Amerikaanse architect Frank Lloyd Wright die zij zeer bewonderden.
Die stimulans voor heroriëntering kwam onderrneer tot uiting in de versobering van Piet Zwart's meubelontwerpen,
dus zonder decoratieve toevoegingen en met gebruik making van primaire kleuren, grijs en zwart, parallel aan de kleurentaal van de De Stijl-beweging.
Piet Zwart werd echter nooit lid van de Stijlgroep, wat iets met z'n eigenzinnige karakter te maken had.
Jan Wils die wel lid van deze groepering was, verliet deze omdat hij met zijn practische instelling vond dat men te veel met theoretiseren bezig was.
Zwart werd vervolgens voor twee jaar tekenaar bij Wils en werkte mee aan een aantal van Wils' belangrijke vroege bouwprojecten.
Ook werkten Zwart en Huszar samen, waarbij de laatste de kleuren voor z'n rekening nam.

Uit 1922 stamt het eerste contact met de familie Bruynzeel in de vorm van een opdracht voor het ontwerpen van meubels.
Gedurende een periode van 30 jaar voerde Piet Zwart privé-opdrachten uit en werkte hij ook voor de Bruynzeelbedrijven.
Om inzicht te krijgen in zo'n unieke werksituatie tussen opdrachtgever en freelance ontwerper, was mevrouw Van Busschbach,
dochter van Kees Bruynzeel desgevraagd bereid hier dieper op in te gaan.
Haar grootvader, eveneens een Kees Bruynzeel die ook in Voorburg woonde, was zeer geïnteresseerd in technische vooruitgang.
Hij ging reeds voor de Eerste Wereldoorlog naar de U .S.A. om kennis op te doen over het fenomeen van massaproduktie, tot dan toe nog onbekend.
De oorlogsproduktie bestemd voor massavernietiging moest nog op gang komen.
Behalve met techniek had grootvader Bruynzeel ook affiniteit met kunst.
Een parallel valt te trekken met .de bekende Rotterdamse redersfamilie Kröller-Müller uit die tijd.
Het was gebruikelijk dat fabrikanten kunstenaars steunden door het geven van opdrachten.
De eerste opdracht van de familie Bruynzeel was het ontwerpen van de meubels voor de bungalow Stormhoek in Zaandam.
Het ontwerp van deze bungalow was van Jan Wils, architect van het Olympisch Stadion te Amsterdam en
de kleurentoepassing van meubels en behang van Vilmos Huszar, de bedenker van het nog steeds bekende arendvignet.

Stormhoek was bestemd voor zoon Kees Bruynzeel, 1900-1980 directeur van de nieuw te bouwen deurenfabriek.
Het ontwerp van de fabriek was eveneens van Jan Wils.
Dit ontwerp werd door Piet Zwart met gebruikmaking van kleur en perspectief. inzichtelijk gemaakt.
Beide gebouwen zijn helaas gesloopt.

Speciaal met zoon Kees was de werkrelatie bijzonder,
dit had alles te maken met de gezamenlijke belangstelling voor techniek en het ontwikkelen van nieuwe producten.
Piet Zwart was snel van begrip en vindingrijk en kon hierdoor gemakkelijk communiceren met z'n opdrachtgever.
Er werd gewerkt op basis van wederzijds vertrouwen en respect.
Hier ligt ook de kiem voor de latere integratie van vormgeving en industrie,
een ontwikkeling die vlak na het uitbreken van Tweede Wereldoorlog goed op gang kwam.
Ook nu weer vormde een oorlogssituatie aanleiding tot nieuwe impulsen en idealen.
Wellicht later ook een welkome manier om de tijd die Piet Zwart als gijzelaar van de Duitse bezetter doorbracht, goed te benutten.

We zijn echter nog in de industriële vorm gevingsperiode 1921-1927,
waarin hij in dienst van Berlage voor mevrouw Kröller-Müller een ontbijtservies van geel persglas ontwierp.
Dat was niet alles, aan een reeks van projecten nam hij deel, zoals straatmeubilair, een orgel met houten pijpen,
blauwen rood geschilderd, teksten in geglazuurde keramiek uitgevoerd en toegepast in de architectuur,
gebruiksartikelen van eierdopjes tot schaakstukken voor industriële massaproductie,
maar ook het restaurant van de Parijse journalist Leo Faust aan de rue Pigalle 36.
Op de opening 2 september 1926 was ook Piet Mondriaan, die in Parijs woonde, aanwezig.
In de nu aanbrekende periode, maar eigenlijk ook al daarvoor kreeg Piet Zwart zijn grootste bekendheid n.l. in de typografie,
gevolgd in de dertiger jaren door de fotografie.
Bovendien introduceerde hij voor het eerst fotografie in zijn grafische vormgeving, tot dusver in de reclame niet toegepast.
Er werd toen uitsluitend getekend of geschilderd.Prachtig uitgevoerd zijn de affiches waarop passagiersschepen zijn afgebeeld
in opdracht van rederijen als de Holland Amerikalijn en de Rotterdamsche Lloyd.

In Zwitserland was Herbert Matter als 'fotografiker' grondlegger van de fotoaffiche.
Tijdgenoten El Lissitzky en Ilja Ehrenburg gaven in 1922 in Berlijn een avantgardistisch tijdschrift 'Vesc' Object Gegenstand' uit.
Evenals het Zwitserse blad 'ABC, Beitrage zum Bauen' door Hans Schmidt en Mart Stam.
Bekend zijn de 'Typografischen Arbeiten' van Max Burchartz,
avant-gardistische uitgaven van Laszlo Moholy-Nagy en Lajos Kassák uit Wenen, '
Die Kunstismen' door Hans Arp en El Lissitzky en 'Und sie bewegt sich doch',
waarin Ilja Ehrenburg als verslaggever van zijn tijd in looppas door de twintiger jaren gaat
en het snelle ritme van de industrïeel-revolutionaire tijdgeest presenteert, daar waar het gaat om kunst, film en literatuur.
Dat de contacten met tijdgenoten zich niet tot Nederland beperkten is duidelijk,
er was contact met Kurt Schwitters en El Lissitzky en in 1929 is Piet Zwart nog even docent aan het Bauhaus geweest.
Piet Zwart is, zoals eerder gezegd, algemeen bekend geworden door de typografische komposities
die hij maakte voor opdrachtgever de Nederlandse Kabelfabriek in Delft.
Zijn manier van vormgeven is eigenlijk tot op heden nooit uit beeld geweest en
daardoor ook medebepalend voor de ontwikkeling van het begrip 'Dutch Design' in het buitenland.

Dit doet geenszins afbreuk aan zijn werk voor Bruynzeel, integendeel hier valt vooral de diversiteit van zijn prestaties op.
De Zaanse firma was een bloeiende Deurenen Vloerenfabriek en Schaverij geworden,
geleid door Kees en Willem Bruynzeel, onder supervisie van Bruynzeel senior.
Het contact met Kees Bruynzeel, dat uit 1920 dateerde, was blijven bestaan en
in 1930 kreeg Piet Zwart opdracht de maandelijkse vloeibladen te ontwerpen.
Hij bleef dit tot in de jaren 50 doen, toen de ballpoint zijn intrede deed,
hoewel de kwaliteit van de eerste ballpoints een vloeiblad niet bepaald overbodig maakte.

Door Piet Zwart's vindingrijkheid en zijn gewoonte uitdagingen aan te gaan,
deed hij mee aan alle mogelijke productie-ontwikkelingen waar zijn expertise goed van pas kwam,
hij had technisch inzicht en was bekend met nieuwe materialen.
Hij ontwierp de inrichting van het nieuwe jacht 'Zeearend' bestemd voor de oceaanrace in 1936.
Bijzonder hierbij was dat hij voordien nooit iets met boten te maken had gehad.
Dat is nu juist zo typerend voor Piet Zwart dat hij steeds weer op andere vakgebieden inzetbaar was.
Het is dus ook niet zo verwonderlijk dat hij eind 1938 de eerste Bruynzeel keuken ontwierp,
eenstandaard keuken volgens Amerikaans massaproductiesysteem.

Twintigjaar later, in 1958, mocht ik als pas afgestudeerd fotograaf/typograaf een kleurenfoto maken van een uit deze keuken ontwikkeld 'modern' type.
Het omgaan met kleurenfotografie voor reclamedoeleinden was nog niet vanzelfsprekend en het filmmateriaal werd nog niet in Nederland ontwikkeld en afgedrukt.
Ik reisde hiervoor naar Lausanne, waar ik na mijn millitaire dienst al eerder een opleiding had gevolgd.

De samenwerking van Piet Zwart en Bruynzeel bleef tot in de jaren '50 uitstekend.
Dat veranderde ten opzichte van de latere generatie, immers na de oorlog was Kees naar Zuid-Afrika gegaan.
De opvolgers waren wel vooruitziend, maar de richting was anders en het noodzakelijke klimaat van samenwerking
voor een ondernemer met een duidelijk initiatief en culturele belangstelling verdween, bovendien deden managers van buiten hun intrede.
Hoewel hij nog het gezicht aan de potlodenindustrie gaf en de bekende driekantige bussen ontwierp was zijn tijd voorbij.
Een ontwerpteam bestaande uit Wim Crouwel (ook later een baanbrekend ontwerper en medeoprichter van het ontwerpbureau Total Design)
en de jong overleden binnenhuisarchitect Kho Liang Ie (ontwerper van het interieur van Schiphol) namen in feite zijn werkzaamheden over.
Piet Zwart had hier opzichzelf geen moeite mee, maar was toch wel wat teleurgesteld en voelde zich onbegrepen in de na-oorlogse periode.
Aan officiële waardering heeft het hem, hoewel wat laat, nooit ontbroken; de Quellinusprijs voor zijn typografisch werk in 1959 en
in 1964 de David Roëllprijs voor zijn gehele oeuvre en tenslotte de 'Honorary Distinction of Royal Designer for industry' op 81-jarige leeftijd.

Piet Zwart was ook op maatschappelijk terrein actief, nam na 1940 deel aan het proces tot integratie van vormgeving en industrie,
werkte mee aan onderwijshervormingen en het professionaliseren van de beroepsverenigingen voor grafische vormgevers,
fotografen, industriële ontwerpers en binnenhuisarchitecten.
Hoewel niet de enige bezig voor de goede zaak, is hij, door het uitdragen van zijn opvattingen over de positie van de vormgever in de maatschappij,
een sleutelfiguur geworden in de geschiedenis van de Nederlandse vormgeving.

Bronnen:
- Mevrouw D. v. Busschbach-Bruynzeel
- Piet Zwart 1885-1977 door Kees Broos
- Piet Zwart en het gezicht van BRUYNZEELS potloden industrie,
Mus. Boymans - v. Beuningen
- Piet Zwart L 'opera tipografica 1923-1933,
in Rassegna 30/2/1987 Milano
- Bruynzeel archief via Ton Neuhaus
- Bruynzeel en Jan Wils door Ger Jan Onrust,
eerder verschenen in Met Stoom