Scheepswerf Slager en Segveld

Voor het vervoer van vee naar de drassige weiden en het dagelijks melken van de koeien was men op het water aangewezen.
Een groot aantal scheepswerven en werfjes leverde en onderhield een vloot van pramen om koeien of hooi te vervoeren en geroeide jollen met een of twee melkbussen.
Hier werd ambachtelijk ook iets moois gemaakt, hoewel de boeren uitsluitend oog voor de kostprijs hadden.
Een goed voorbeeld van zo’n kleine scheepswerf was de werf van Slager, later Segveld, gelegen aan de toen nog niet gedempte sloot naast de Hobbemastraat in Zaandam waar ik opgroeide.

Schoonvader Slager en Segveld senior waren daar in 1922 op het terrein van de voormalige krijtmolen, de naam zegt het al, “De Krijthengst” met een werkplaats, loods voor stalling en twee scheepshellingen begonnen, zoals ongeveer nu nog op de Zaanse Schans te zien.
Ze bouwden jollen en pramen zonder tekening en kenden alle kneepjes van het botenbouwersvak. Een geroeide jol van Segveld schoot als een snoek door het water en de pramen met hun eikenhouten spanten waren onverwoestbaar en doorstonden elke aanvaring zonder noemenswaardige eigen schade.
Behalve scheepsbouw deden ze ook alle reparatie- en teerwerk aan de dekschuiten van de houthandel en zagerijen in de buurt.
Zoals er zoveel in de tweede helft van de vorige eeuw in de Zaanstreek veranderde, moest ook
de werf wijken voor huizenbouw en zoon Harry die inmiddels het bedrijf voortzette, verhuisde in 1950 naar het Westzijderveld.
Ook daar was men niet veilig voor huizenbouw en men verhuisde noodgedwongen in 1975 weer, maar nu ver weg naar Wolvega in Friesland. Met alle bezittingen op dekschuiten geladen en na een avontuurlijke tocht van ruim een week over het IJsselmeer, werd daar een jachtwerf voor onderhoud en stalling opgezet.
Zo kwam er een einde aan ruim een halve eeuw ambachtelijke botenbouw.