De dumpautomobiel

Hoe dumpmaterieel uit Deelen na de 2e Wereldoorlog in de Zaanstreek terecht kwam.

Nadat ook Nederland boven de grote rivieren bevrijd was, moest het tot stilstand gekomen wegverkeer zo snel mogelijk weer op gang gebracht worden.
Het bij de capitulatie 'buitgemaakte' Duitse transportmateriaal werd geconcentreerd, voor Noord-Holland was het toen nog onbebouwde Scheldeplein in Amsterdam aangewezen, daar waar nu de RAl staat.
Het overtollige geallieerde materiaal, voornamelijk Canadees en Amerikaans, werd o.a. op het vliegveld Deelen bij Arnhem geconcentreerd.
Voor belangstellenden, Jan en Alleman, was het mogelijk om na taxatie middels de Rijksverkeersinspectie aankopen te doen.
Betrof het je eigen gevorderde auto, dan mocht je je voorkeur uitspreken, gratis terugkrijgen was er echter niet bij.

Dat hierbij uitzonderingen mogelijk waren, vertellen Van Popta en Schulten in deel 3 van Militair Memoriaal.
"Kort na de oorlog was men geneigd om de sfeer van de illegaliteit nog wat in stand te houden, zodat 'versieren' en 'organiseren' gemakkelijk ontaardden in laakbare handelingen.
Om het vriendelijk te zeggen: meer dan één militair voertuig demobiliseerde zonder dat de autoriteiten daar weet van hadden".

Terug naar de Zaanstreek.

''We hadden niets meer", vertelt Cees Zwart, voormalige directeur van een ook nu nog groot garagebedrijf gevestigd in Wormerveer 'Twee van onze bussen waren ondergedoken bij een boer in Wormer, de heer Kramer, maar door een monteur verraden, door de Duitsers onder het hooi ontdekt en in beslag genomen.
Nog tijdens de bezetting werden we een keer getipt door iemand die ze had herkend, want de Duitsers hadden ze ingezet voor gewondenvervoer tussen Schiphol en het z.g.n. Luftwaffe Lazarett in Meerenberg bij Santpoort, het vroegere Provinciale ziekenhuis.
Die bussen waren wit gespoten, de stoelen er uitgehaald om er brancards in te kunnen zetten.
Ze doken weer op in Amsterdam, we claimden ze en kregen ze toegewezen, maar er moest wel voor betaald worden.

Dat ging als volgt; we gingen naar Amsterdam en met mijn 4 jaar HBS-Engels was ik woordvoerder.
Een Canadese militair vergezelde ons terwijl we het terrein afzochten. De beide bussen, een Kromhout en een Opel, witgespoten, beschadigd en van binnen gesloopt, waren snel gevonden.
In een loods lagen de roodleren met pluche beklede stoelen, onze bussen waren immers rood en maroon geweest.
We zeiden tegen die Canadees dat ze van ons waren, 'put'm in' was het antwoord.
We probeerden ook nog de stoelen van de Opel terug te vinden tussen al het materiaal, banden en jerrycans.
Stoelen vonden we, maar groene van een andere kleur dus. Die horen bij de bus en we wezen naar de Opel.
'I don't believe you, but put'm in' was het antwoord en zo hadden we weer 2 bussen met stoelen.

We lieten ze in Alkmaar opknappen en spoten ze zelf weer in de oorspronkelijke kleuren en ze zagen er daarna weer als een plaatje uit.
Onze chauffeur Henk Eijben heeft trouwens nog iets met die groene stoelen beleefd toen hij met een gezelschap in de buurt van Soest voor controle werd aangehouden.
Rijbewijs en rijtijdenboekje klopten, maar het kenteken niet want er stond 'rode touringcar met rode stoelen'.
Waarop Henk gevat antwoorde "die zijn verkleurd, die zijn beschimmeld" en daar werd gelukkig genoegen mee genomen.

Terugkomend op het gealliëerde dumpmateriaal, vervolgt Cees Zwart zijn belevenissen na de Tweede Wereldoorlog.
"Die periode heb ik zeer bewust meegemaakt. Ik was was 17 en had nog geen rijbewijs, maar wel een pas uitgegeven door de Binnenlandse Strijdkrachten, een ontheffing zou je dat nu noemen of in de oorlog een 'Sonderpass'.
Na toewijzing van de Rijksverkeersinspectie ging ik dus mee naar Deelen om dumpauto's op te halen, bijvoorbeeld 10 Chevrolets of Fords,
3,5 tonners met van die platte neuzen, vrachtwagens voor stukgoed ook wel 1500 weights genoemd en 5 GMC tandemassers.
We vertrokken met een man of zes 's ochtends om 6 uur en hadden accu's, stroomverdelers, bougies en gereedschap mee.
In Deelen aangekomen maakten we onze keuze en probeerden die automobielen aan de praat te krijgen, wat niet altijd lukte.
We maakten dan het onwillige voertuig met een trekstang aan onze kraanwagen vast, met eventueel daarachter nog een andere wagen die het ook niet deed en vertrokken dan met zo'n 9 stuks richting Wormerveer.
Via de tweebaansweg vanaf het vliegveld, de z.g. zeven heuvels, staken we de Veluwezoom over, richting Ede en van daar door Amersfoort, langs oude gebouwen en poortjes, een rondweg had je nog niet, ben je gek.
Je kwam in Soest terecht en tenslotte via Hilversum en Amsterdam via de pont bij de Hembrug terug in de Zaanstreek.
Onderweg kwam je geen hond tegen, want er waren verdomd weinig automobielen, maar wel zichtbare sporen van de oorlog, in plaatsen als Bennekom was behoorlijk veel schade aangericht.
We waren overigens bijzonder blij dat we die karren klaar konden maken, want er was immers helemaal niks en dat betekende weer brood op de plank.
We hebben er heel wat onder handen gehad, klaargemaakt en omgebouwd.
Ze waren wel in goede staat, maar je haalde er toch de filters tegen woestijnstof af, keek de motoren na en verving de accu's.
Beletteren en spuiten was er niet bij, die auto's moesten zo snel mogelijk de weg op om geld te verdienen."

De lijst van afnemers die Nico Hoogwout voor mij maakte is voor Cees Zwart zeer herkenbaar: Albert Keyzer, Knap, Vlootman, Snelleman (Piet v / d Kaai) en Van Wijngaarden.
'Voor zandleverancier Floris hadden we ook een paar GMC's klaargemaakt, een uitstekende terreinwagen, zodat ze daar dachten elke duin die ze tegenkwamen te kunnen 'nemen' maar dan braken die assen nog wel eens en moest je de rimboe bij Castricum in om het slachtoffer op te halen."

De periode dat de dumpauto als vervanger voor het wegtransport diende heeft geduurd van de zomer van 1945 tot eind 1946, korter dus dan de gasgenerator.
'Voordat de voorraden uitgeput raakten werden er duizenden op de weg gezet, waarvan ons bedrijf er zo'n 50 tot 60 stuks voor zijn rekening heeft genomen.
We hebben in 1947 het Opel dealerschap weer opgepakt, maar onze GMC kraanwagen is nog lange tijd als er races waren op het circuit van Zandvoort standby geweest,
mijn broer was daar immers wedstrijdleider en als Studio Sport met afvlaggen begon riepen we al "broer Jaap" besluit Cees Zwart zijn relaas over de autobranche in donkere tijden en de opbouw daarna.

Peter Marcuse, met dank aan Cees Zwart
Ontleend aan een interview met Cees Zwart en op verzoek van Geert Starink - Museum Deelen.
voor meer info zie www.museumvlbdeelen.nl