Boekbespreking "Honderd jaar Bos en Kalis" door Jur Kingma

Lang behoorden de baggeraars uit Sliedrecht en omgeving tot Nederlands trots. Ze werden tot ware volkshelden in de romans “Het verjaagde water” van A. den Doolaard en “De mannen van Sliedrecht” van K.Norel.
In een lijvig boekwerk over de geschiedenis van de Koninklijke Boskalis Westminster proberen Bram Bouwmeester en Keetie Sluyterman de Nederlandse baggerindustrie los te maken van deze hagiografie.
Het bedrijf werd in 1910 gesticht als de firma Joh.Kraaijeveld en E. van Noordenne. Het was een van de vele firma’s van kleine aannemers in en rond Sliedrecht die in wisselende combinaties samenwerkten of elkaar beconcurrerende bij de opdrachten van Rijkswaterstaat of lagere overheden. Een aantal werkte inmiddels ook in het buitenland.
Het bedrijf kreeg later andere firmanten zoals Gerrit Jan Bos, Willem Bos, Kobus Kalis en Jan van Hemert. Na het uittreden van verschillende vennoten werd het bedrijf in 1930 een Naamloze Vennootschap, die een jaar later de naam N.V. Baggermaatschappij Bos en Kalis kreeg.

De schrijvers vertellen het verhaal van de vele hoogtepunten en dieptepunten in het honderdjarige bestaan. De rode lijn is de toenemende schaalvergroting en omvorming van een van de lokale baggermaatschappijen in een wereldspeler op het gebied van de natte aannemerij.
In het boek komen een aantal sub-thema’s aan de orde. Een ervan is de relatie van de Nederlandse aannemers met Rijkswaterstaat.
De auteurs maken duidelijk dat Rijkswaterstaat, als grootste opdrachtgever, in feite een negatieve invloed heeft gehad op de ontwikkeling van de baggerindustrie. Door alle werken in kleine percelen op te delen, ontstond er geen mogelijkheid tot schaalvergroting en rationalisatie.
Pas met de Zuiderzeewerken was er mogelijkheid voor schaalvergroting. De echte doorbraak kwam na de watersnoodramp van 1953 toen de aannemers als volwaardige partner werd betrokken in de ontwerpfase van projecten. De argumentatie had in kracht gewonnen als er een vergelijking was getrokken met buitenlandse aannemers die al in de negentiende eeuw de mogelijkheid hadden zich tot enorme bedrijven te ontwikkelen.
Ook in Nederland zijn grote infrastructurele werken aangelegd door grote buitenlandse aannemers. Zo groef Henry Lee het Noordzeekanaal, legde John Aird de Amsterdamse duinwaterleiding en Thomas Brassey de spoorweg Utrecht-Rotterdam aan. Hun opdrachtgevers waren echter particuliere maatschappijen.
Het zou interessant om eens uit te zoeken hoe remmend dit beleid van Rijkswaterstaat op technische innovatie in de baggersector in Nederland is geweest. Deze studie naar de geschiedenis van Bos & Kalis lijkt in die richting te wijzen.

Een ander sub-thema is het effect van de werkverschaffingsprojecten in de crisisjaren vanaf 1930. Grote werkverschaffingsprojecten werden, buiten de reguliere aannemerij, voornamelijk met handwerk uitgevoerd. Het archetype is de aanleg van het Amsterdamse Bos en de Bosbaan. Maar er waren veel meer werkverschaffingsprojecten waarin handwerk een belangrijke rol speelde, zoals de normalisatie van de beken in de Achterhoek en de aanleg van de West-Friese kanalen. Behalve dat de aannemerij dit als een vorm van concurrentievervalsing zag, was het waarschijnlijk ook een ontwikkeling die technische innovatie belemmerde.

De grote Nederlandse thuismarkt is een belangrijke verklaring van het succes van de Nederlandse baggerindustrie. Maar vooral het feit dat men steeds goed inspeelde op nieuwe ontwikkelingen zoals de enorme opkomst van de olie- en gasindustrie.
Overal in de wereld werden enorme nieuwe havens aangelegd waarbij Nederlandse en later ook Vlaamse aannemers waren betrokken. Van het Midden-Oosten verschoof het centrum van de economische ontwikkeling naar het Verre Oosten. In China werden enorme werken uitgevoerd.
In de natte aannemerij spelen twee Nederlandse en twee Vlaamse bedrijven de hoofdrol. Hun huidige rol is slechts gedeeltelijk historisch verklaarbaar. Inspelen op de eisen van een wereldwijde markt lijkt de meest logische verklaring.
De auteurs spreken van grenzeloos ondernemen. Globalisering heeft ook haar keerzijdes. Dat bleek toen een deel van de baggervloot werd gegijzeld tijdens de eerste Golfoorlog. Henry Lee & Sons had in 1870 bij de aanleg van het Noordzeekanaal al ervaren hoe riskant het is om te investeren in het eigendom en de exploitatie van het aangenomen werk. Bos en Kalis ervoer dit in 1980 bij de aanleg van een gaspijpleiding in Argentinië.

Sommige thema’s komen minder goed uit de verf zoals de relatie met de gespecialiseerde scheepswerven. Wel wordt uitvoerig geschreven over nauw gerelateerde scheepswerf De Klop, maar de invloed van I.H.C. en haar voorgangers zoals de werven van Smit in Kinderdijk, komt niet duidelijk uit de verf.
Misschien is dat te veel gevraagd, want het boek is een schatkist aan informatie over de geschiedenis van de Nederlandse baggerindustrie. Het zal niet ironisch bedoeld zijn, maar de foto waar mee hoofdstuk 1 opent, toont een werk van de Engelse aannemer Henry Lee & Sons, de pieren van IJmuiden. Ook de illustraties maken het boek de moeite waard.

Jur Kingma

Bram Bouwens en Keetie Sluyterman, “Een eeuw Koninklijke Boskalis Westminster en de Nederlandse baggerindustrie.” ( Boom, Amsterdam, 2010) ISBN 978 90 8506 949 2 € 39,90