Van ambacht tot industrie

VAN AMBACHT NAAR INDUSTRIEEL PRODUCT

In het begin van de 19e eeuw was klompen maken zoals in de eeuwen daarvoor nog een ambachtelijke bezigheid.
Vaak handwerk en aan seizoen gebonden, vaak gericht op zelfvoorziening, zelfs als het hoofdmiddel van bestaan was werd er hoogstens voor lokaal gebruik geproduceerd.
Er waren zelfs "reizende" klompenmakers" die bij de boer elders in het land klompen maakten, de klant zorgde daarbij voor het hout. Het kunnen volstaan met eenvoudig gereedschap maakte dat rondtrekken overigens wel zo gemakkelijk.

Toch ontkwam dit beroep niet aan de invloed van techniek en de economische ontwikkelingen van de 19e eeuw. De behoefte aan schoeisel nam toe, de koopkracht was ook toegenomen en het waren klompen die daaraan voldeden. Ze waren zowel praktisch als betaalbaar.

Pas later kwamen massaal industrieel geproduceerde schoenen op de markt waardoor op den duur de betekenis van de klomp als volksschoeisel geleidelijk afnam, maar voor het praktisch gebruik op het platte land en het werk in de fabriek veranderde er tot de 2e helft van de 20ste eeuw weinig
De toegenomen vraag leidde intussen niet automatisch tot dynamische en bedrijfsgerichte activiteiten. Dat had te maken met de achtergrond van een ambacht dat als bijverdienste was ontstaan in de landbouw omdat die boerenbedrijfjes niet genoeg inkomen opleverden en er het seizoensmatig ruimte was om wat bij te verdienen.
Veranderingen kwamen moeizaam op gang en van bedrijfsconcentraties was evenmin sprake.

Landelijk gezien was Noord-Brabant naast Gelderland en Overijssel het belangrijkste productiegebied. In de eerste helft van de 19e eeuw werden in bijna alle gemeenten van Noord-Brabant klompen gemaakt, meestal voor lokaal gebruik. In de 2e helft van de 19e eeuw ontstonden kerngebieden waar van oudsher veel productie was, waardoor een bedrijfstak ontstond met afzet van meer dan lokale betekenis. Als gevolg van concentratie daalde het aantal klompenbedrijven in 129 gemeenten naar 67 in het begin van de 20ste eeuw.

De aanwezigheid van hout, de belangrijkste grondstof bevorderde die concentratie.
De bodemgesteldheid moest dan wel geschikt zijn voor met name wilgen en populieren.
De leemhoudende oevers langs riviertjes en beekjes bleken daarbij zeer geschikt voor de aanplant van de Canadese populier. De boomaanplant dus houtrijkdom werd bovendien bevorder door een eeuwen oud recht van 'voorpoting'. Dit recht dat uit de elfde en twaalfde eeuw stamt, houdt in dat de men bomen mag aanplanten op de zijkanten van gronden die aan anderen toebehoren.
In volle wasdom mogen die dan voor eigen gebruik gerooid worden en is herbeplanting toegestaan. In de Meierij van s'-Hertogenbosch, in Gelderland en ook in Vlaanderen bleef dit recht tot in de 20ste eeuw gehandhaafd.

Geen wonder dat deze wijze van boomaanwas van grote invloed op de klompenmakerij bleek en vooral de populier was door z'n snelle groei, hoog rendement en geschiktheid voor verwerking zeer in trek. Het was ook hierdoor dat de klompenmakerij zich verder dan voor uitsluitend voor lokaal gebruik kon ontwikkelen naar een product met een marktfunctie.
s'-Hertogenbosch als centraal aanvoerpunt van de Meierij werd met paard en wagen bevoorraad en van daar vonden klompen hun weg via de boot verzonden naar de afnemers in Noord- en Zuidholland en naar Friesland en later per trein en auto.

Marktproblemen als gevolg van verminderde houtaanvoer uit regio door een optredende populierenziekte omstreeks 1860 maakten aanvoer van elders noodzakelijk en het product duurder en daarna begon omstreeks 1890 de invoer van goedkope Belgische klompen marktproblemen op te leveren, naast de landbouwcrisis die het dagelijks leven sterk heeft beïnvloed.
Uiteindelijk heeft de groei van de beroepsbevolking en de relatieve welvaartsverbetering van volksklasse en boerenstand de afzetmogelijkheden sterk bevorderd. Kort gezegd in de 19e eeuw werden klompen door verreweg de meerderheid van de bevolking gedragen. De klomp had ten onrechte het stempel van armoede, het waren eerder zuinigheid en doelmatigheid die aan het gebruik ten grondslag lagen.
Hier zal later nog op ingegaan worden bij de beschrijving van het dagelijks leven in een dorp in Noord-Holland in het begin van de 20st eeuw.
In het begin van de 20ste eeuw waren klompen nog een overal gedragen volksschoeisel.
De emancipatie van de arbeidersmassa gaf echter een verandering in levensomstandigheden van de’gewone’ man te zien en uitte zich op 2 manieren. De levensverwachting veranderde geleidelijk en dan uitte zich ook in verandering van schoeisel te gunste van de leren schoen die door mechanisatie in de schoenindustrie steeds meer betaalbaar werden.
Gaf eerder de klomp het trage ritme van de onderdrukte arbeidersmassa aan, bij de nieuwe tijd van emancipatie paste de leren schoen.
Hoewel de afzet van klompen afnam hield de klomp voorlopig nog stand. Door de week als werkschoeisel en voor het kerkbezoek op zondag wit geschuurd of geschilderd.
De klompenmakers die hun afzet van hun product zagen dalen hadden hier geen oog voor en gaven als reden de toenemende import van goedkope belgische klompen; goedkoop omdat er in het land van Waes, de streek rond St. Niklaas, overproductie plaatsvond. Nederlandse klompendandelaars maakte daar dankbaar gebruik van, maar ook de Nederlandse producenten gingen zelfs rechtstreeks aan de winkeliers leveren en zo groeide stroom van belgische klompen op enig moment jaarlijks 9 miljoen paar, als gevolg van de reguliere handel als van de klompen producent zelf.
Tijdens de 1ste wereldoorlog kwam de invoer vrijwel stil te liggen en mede door de schaarste van schoenen, brak er weer een periode van bloei aan voor de nederlandse klompenmaker.
Wegens toenemende schaarste werden door de regering klompenbonnen verstrekt en aan een voor dit doel opgericht steuncomité werden tegen een vastgestelde prijs maandelijks 300.000 paar klompen geleverd worden. In 1918 werd hiervoor een bedrag van 2,4 miljoen gulden uitgetrokken. De prijsvan een paar mansklompen bedroeg 1 gulden en 20 cent, vrouwenklompen kosten 1 gulden en 5 cent , drielingklompen 85 cent en kinderklompen 65 cent. Bij inlevering van de bon werd een korting van de helft gegeven.
Vaak konden kinderen niet meer naar school omdat ze geen klompen hadden en moesten de moeders eerst met de toewijzingsbon en een stokje met de aangegeven binnenmaat naar het uitgiftelokaal of winkel om klompen te halen.
Niet alleen voor binnenlands gebruik; grote hoeveelheden werden aan zowel Frankrijk en Duitsland geleverd, aan Duitsland vooral voor de krijgsgevangen militairen in de kampen.

In deze periode stegen ook de lonen met 100 % en dat was een gevolg van de organisatie van belangengroepen en ook de grossiers gingen zich verenigen. De belangrijkste was de Nederlandse R.K. Middenstandsbond.
De bond op katholieke grondslag die de geestelijke en stoffelijke belangen van leden behartigden, regelde collectieve arbeidscontracten, eenheid van prijs en maat en coöperatieve aankoop van hout en verkoop van klompen. Mansklompen 26,5 – 30 cm, vrouwenklompen 24 – 26 cm., drielingen 20 – 24 cm en halven 14 – 19 cm. Alles volgens binnenmaat.
Na de 1ste wereldoorlog begon de terugslag als gevolg van hervatte invoer uit het buitenland en moesten er op termijn maatregelen genomen om de bedrijfstak van de algehele ondergang te redden. Een invoerverbod dat voor de hand lag kreeg geen steun van de volksvertegenwoordiging, steun verlening door subsidie en krediet hulp in de vorm van voorschotten kwamen ook niet van de grond.
Er bleef niets anders over dan tot staken van productie en het bedrijf tijdelijk te sluiten. Massa ontslag was het gevolg.
Al eerder voor de oorlog hadden machines hun intrede gedaan, bizar in een tijd waar de behoefte aan klompen afnemende was. Nu bleken deze bedrijven beter het hoofd boven water te houden door de lagere productie kosten, ook werden halffabrikaten aan handwerkers geleverd en dit gaf ook weer een verlaging van de productiekosten. Loonsverlaging was ook zo’n middel tot besparing. In de praktijk daalde in Noord-Brabant een gemiddeld weekloon van 20 gulden naar 17,5 gulden voor een klompenboorder en 15 tot 16 gulden voor een knecht. Werkverschaffings objecten waren een gevolg, maar de lonen bleven laag. Stakingen braken ook uit. Echter zonder veel resultaat, te vergelijken met het weinige animo van de "bazen" om hun krachten te bundelen. Ook de pogingen van overheidswege om tot beschermende maatregelen te komen haalden in de praktijk weinig uit.
Zo kwam tenslotte een eind aan de klomp als volksschoeisel een eind. Klompen hoorden niet langer tot primaire levensbehoeften, maar werden uitsluitend nog gebruikt voor werk als dat nodig was.

Vergeleken echter met landen als Frankrijk en Duitsland waar klompen eeuwenlang massaal gedragen werden en thans uit het beeld volledig verdwenen zijn, is de klomp in Nederland spring levend gebleven.
Ondanks de ergernis van sommige "Holland promotors" , staan naast molens en tulpen, klompen nog steeds symbool voor dat zelfde Holland.

In 1972 zelfs nog getipt in de rubriek modelijn van Randstad Uitzendbureau; "Op klompen lopen door de Kalverstraat van Amsterdam of klepperend over de Kneuterdijk in Den Haag.
Met een paar echte boerenklompen aan je voeten zoals ze op het land nog gedragen worden en dan gelakt in goud of zilver of een pimpelpaarsje, ben je natuurlijk helemaal up-to-date. En nog goed voor je voeten ook."

Bovendien dragen in Nederland geproduceerde klompen vanaf 1997 het predikaat "officieel veiligheidsschoeisel" en hebben een CE- erkenning: Conformite Europeenne.

Bronnen:

-Stichting Historie der Techniek - TU Eindhoven
-Onder de voet gelopen - dr.F.J.M. van Puijenbroek
-Klompen - H.Noorlander
-Klompen - Hans Siemes
-Klompen - Heidi Smits
-Op klompen door Schagen - Jan Buisman
-Vrouwen van het land - redactie:Fransje van Backerra
-Volk op klompen - Dagelijks leven in Bovenkarspel - Piet Roker.