Noord-Holland

Klompen onder de pannen, thee en maizena gelijkvloers.

Als ik wil proef ik nóg de sfeer, krijg ik nóg die alles-door-mekaar-lucht in m'n neus van het winkeltje waar ik als kind regelmatig, om niet te zeggen veelvuldig, over de drempel kwam om een nieuw paar klompen te halen.
"Lilleke donderstien, streitarm wor je van jou! Om de klapskeet hè-jij een paar dure klompe an barrels." Honderden malen heb ik verwijten van soortgelijke strekking over m'n jeugdige hoofd horen gaan. Er overheen, ja. Want effect hadden zulke pedagogisch geladen terechtwijzigingen hoegenaamd niet.
Toegegeven, een te verwaarlozen factor bij de besteding van moeders huishoudbudget ben ik nooit geweest. Geen wonder dus dat m'n oren nog bol stonden van de waarschuwingen als ik met een gulden en een kwartje onder m'n groezelige zakdoek de winkeldeur bij Stellingwerff openduwde.
En vreemd genoeg of misschien ook wel heel begrijpelijk, elke keer weer met een zeker gevoel van spanning. Wellicht te vergelijken met de gemoedstoestand van een ontdekkingsreiziger, die een onbekende jungle binnengaat. Zélfs het uitspreken van de bestelling: " 'n Paar sterke, gevurfde klompe," gaf iets van de geladenheid, die je bij jezelf had opgeroepen. De toevoeging "sterke" gebeurde op uitdrukkenjk bevel van thuis ondanks m'n tegenwerping dat alle klompen toch even sterk waren. "Enne, je doene wel dikke sokke an, aars binne ze zo weer te klein!" Als ik ooit langer dan hoogop vier weken met m'n klompen deed. Maar och, wist ik veel ,van de geldzorgen van een geplaagde moeder?
Voor het uitzoeken van zo'n paar extra sterke, geverfde klompen op de groei gaat het iele trapleertje omlaag en zegt Stellingwerff: "Gaan maar naar 't zolder, den zelle we d'rs kijke, knecht." De treetjes zijn wel zo glad als de ijsbaan op de Put, vanwege de honderden dikke sokken die me vóór gingen.
Het "sallemander d'r niet of 'oor" van de winkelier onderaan de steilte is derhalve begrijpelijk, maar voor jongens van mijn leeftijd, die gewoon zijn op de leuning van de Tochtebrug te balanceren, overbodig.
Als je een beetje aan de donkerte van de zolder gewend bent kan je onder de schuinte van het dak een heleboel bossen klompen zien liggen. En bij het schaarse licht rond het trapgat begint dan het passen van het houten schoeisel, dat door de winkelier wordt aangedragen.
Bij het derde paar zegt hij, met z'n duim de binnenkant van de hiel volgend: "Dat konne ze welders weze!" "0," zeg ik dan maar gedwee, waarna de afdaling terug naar de gebroken thee en de maizena wordt ingezet.
Terwijl de kruidenier met het kaasmes omzichtig het paar-touwtje doorsnijdt kan ik m'n ogen niet afhouden van de moordklompen, waarmee ik straks de straat op mag stappen.
Zal je die jongens weer jaloers zien kijken! Reken maar! En meester maar denken: nou, nou, zukke klompe zien je opheden ok niet alle dage...!

Pas als de nieuwe aanwinst met een overdreven klap op de houten toonbank neerkomt word ik met schrik wakker en probeer haastig het geld uit m'n broekzak op te diepen. Op de tast, tussen kromme spijkers, verfomfaaide sigarebandjes en een dot vliegerbot vandaan. Het kost even moeite, maar Stellingwerff heeft de tijd.
Als eerst de gulden en eindelijk ook het kwartje terecht is wordt dat met een nattig sletje (snoep) beloond. De stuiver wisselgeld verdwijnt weer achteloos in de ontoegankelijkheid van m'n diezak (broekzak). De zenuwachtige drang om toch vooral gauw weg te komen vervormt m'n groet tot een nikszeggende klank. Het vrolijke winkel belletje vergezelt me naar buiten, waar het licht van de zonnige zomermorgen weerkaatst in de glanzende lak van het geritste peppelhout. Met de handen gestoken in de afgedankte klompen klepper ik huiswaarts, er heilig van overtuigd dat de hele buurt me bewonderend naoogt. Trouwens dat blijkt ook wel uit de blik van een hoepelende jongen van de roomse school als hij zegt: "Hè-je nuwe klompe?" "Nei, nuwe wante, is 't nóu goed?", antwoord ik hooghartig maar toch wel gevleid.
Moeder, zweterig aan de wekelijkse was, bekijkt de nieuwe stappers maar met een half oog, terwijl ze verzucht: "'t Is kollesaal 'oor, zukke verlegen mooie skeepies van bijleg, maar 'k wou wél dat 'k 'n geldboompie had om 't zullever van of te skuddelen." De wrange ondertoon begrijpend voorspel ik met overtuiging: "Dut binne vast goeie sterke, moe, deer ken 'k meskien wel 'n heel jaar mee toe." Ze gaat er niet eens op in.
En m'n vader hoor ik mompelen: " 't ZeI 'm worre!"


Bron:
Volk op klompen - Bovenkarspel in vroeger dagen
Auteur:Piet Roker