Zuid-Holland 2

Vroeger, zo tot aan de tweede wereldoorlog, liep bijna elke Krimpenaar op klompen. Vuile, gerepareerde, gele soms fraai versierde, wit of zwart geverfde, of gescheurde met een krambandje, maar beslist op klompen. Een enkeling leefde wat chiquer, die had ‘trippen’. Dat was een laag uitgesneden klomp die met een leren band over de wreef sloot. Sommigen, zoals de dokter en burgemeester, liepen op schoenen of laarzen. Maar dat waren dan ook ‘hoge heren’. “Nu breekt mijn klomp!” zult u zeggen en inderdaad, nu is dat haast niet meer voor te stellen. Maar ooit liepen vooral boeren en werkmensen in heel Europa op klompen. Waarom toeristen zich juist ons, Hollanders, op klompen voorstellen lijkt vreemd. Of komt dat omdat er zoveel klompenmakers waren? In Krimpen aan den IJssel hadden we er minstens zes!


Een gewaardeerd schoeisel

Klompen werden hier gedragen omdat ze goedkoop, warm en veilig waren. Goedkoop, want het populieren- of wilgenhout dat er voor nodig was groeide op of vlakbij je eigen erf. En oorspronkelijk waren er heel wat die ze zelf maakten. Tot er mensen hun vak van maakten, de klompenmakers. Warm waren klompen zeker, want het hout liet geen water door en was redelijk isolerend. Wilde je het nog wat behaaglijker, dan stopte je er een bosje stro of hooi in, of je trok een paar leren ‘klompsokken’ aan. En veilig waren klompen ook. Viel er wat op, dan moest het al flink zwaar zijn, voordat je je voet bezeerde. Een voorloper van de veiligheidsschoen dus. De klomp had maar twee nadelen. Hij sleet of de kap scheurde en dan was je aan reparatie of vernieuwen toe. En je moest er wel op leren lopen, want de kap gaf niet mee. In het begin kreeg je dus pijnlijke wreven aan je voeten. Kon je er echt niet aan wennen, dan was je aangewezen op trippen. Maar dat starre, stevige en onbeweeglijke van de klomp was juist wel het meest aantrekkelijke en in ieder geval het meest kenmerkende. Als iets overduidelijk was zei je zelfs dat je het op je klompen kon aanvoelen!


Soms heel fraaie klompen

Iedere klompenmaker had zijn eigen model klompen. Een stompe, of meer spitse neus. Een wat dikkere zool, dus een zwaardere klomp. Een smaller model, of juist breder. Maar allemaal gaven ze de maat aan in centimeters. Je voet werd opgemeten en voor kinderen ruim naar boven afgerond. “Op de groei gekocht”, werd dat genoemd. En paste het niet helemaal, dan werd er nog wat afgesneden. Maar dat mocht niet te veel, want dan werd de klomp te zwak en brak sneller.
Het meest voorkomend waren onbehandelde klompen. Die waren het goedkoopst en bij het werk werden ze toch beschadigd of vuil. In Krimpen waren er maar weinig die de moeite namen om ze zo nu en dan eens af te boenen of met zand te schuren. Maar soms moest je wat netter gekleed gaan. Na je werk bijvoorbeeld, of naar de vereniging, de kerk, of op visite. Dan droeg je geschuurde, maar ook wel wit, geel of zwart geschilderde klompen. Die gele nog het meest en dan vaak ook nog met fraaie, fel gekleurde, versieringen. Op enkele plaatsen in Nederland werden door de bruidegom nieuwe klompen voor de bruid gemaakt en voorzien van houtsnijwerk of fraai schilderwerk. Zelfs de naam werd er wel op gezet. Uit Krimpen is me dat soort gebruik niet bekend. Wel werd je naam in de binnenkant geschreven om te vermijden dat je met andermans klompen uit school kwam!


De klompenmaker uit de Stormpolder

Aan de Schaardijk in de Stormpolder woonde en werkte klompenmaker Piet Boudesteyn. Toen ze wat ouder werden hielpen zijn zoons Jan en Arie met het uitventen in Krimpen aan den IJssel en omliggende dorpen. Ze hadden een fraaie hondenkar met twee trekhonden. Later verhuisden ze naar de Lekdijk (‘het Onderzijde’). Jan en Arie gingen handelen in klompen en huishoudelijke artikelen. Jarenlang waren ze ook grossier in klompen, toen kochten ze de klompen bij anderen en schuurden en beschilderden ze voor de verkoop. De werkplaats waar dit gebeurde staat er nog steeds. Het halen en wegbrengen van de klompen gebeurde veelal met een zware motorfiets met zijspan. Nog weer later stopten ze met de huishoudelijke artikelen, lieten het pand verbouwen en gingen ook schoenen en laarzen verkopen. Met die handel verhuisden ze ook naar het nieuwe centrum, nu Crimpenhof. Jan en Arie werden daar weer opgevolgd door hun zoons.


Klompenmakers in het Boveneind

In het Boveneind, dus richting de grens met Ouderkerk, waren wel vijf klompenmakers. De schuur waarin de broers Jan en Gijs Mourik hun klompen maakten is nog steeds te zien achter IJsseldijk 60. Zij namen het bedrijf over van hun vader Jan en hadden later ook nog een loods achter de woning van Jan, aan de IJsselkant, waar de klompen werden geverfd en verkocht.
De broer van vader Jan, Aart Mourik, had ook een klompenmakerij. Die was aan de Waal, dus vlak bij de molen en de watertoren. Weer een andere broer, Gijs Mourik, had er vlak bij een winkeltje en maakte en verkocht daar onder andere ook klompen.

Op IJsseldijk 14 werkte en woonde klompenmaker Jan van Zwienen. Hij had geen opvolgers, dus dat bedrijfje verdween. Tegenover de Breekade tenslotte, was de klompenmakerij van Christiaan en Aart van Zwienen. In een schuur achter en een kelder onder hun huis maakten ook zij een stevige voorraad houten stappers.

Klompen, een bijna verdwenen product, ook in Krimpen. Maar zo verweven met onze geschiedenis dat ze nog voortleven in allerlei gezegden. Nog een paar voorbeelden? Ik blijf maar met m’n klompen van het ijs (daar zal ik maar geen mening over geven). Ik ga m’n klompen thuis brengen! (ik ga naar huis).

Cees Loeve


Bron:

-tijdschrift de KLINKER nr 1, blz 18 -19 / februari 2010

-Met dank aan de auteur Cees Loeve